Procedurenummer 18/500 Wtra AK
Betrokkene wordt verweten in een eerdere klachtprocedure bewust onjuiste informatie aan de Accountantskamer te hebben verschaft. Volgens vaste jurisprudentie van de Accountantskamer kan het door een accountant in zijn zakelijke betrekkingen - al dan niet in rechte - innemen van een civielrechtelijk standpunt, behoudens bijzondere omstandigheden, in het kader van de door hem in acht te nemen fundamentele beginselen van integriteit en professionaliteit, niet tot een gegrond tuchtrechtelijk verwijt leiden. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is onder meer sprake indien geoordeeld zou moeten worden dat een door een accountant ingenomen standpunt bewust onjuist of misleidend, en dus te kwader trouw, blijkt te zijn of naar zijn aard bezien door een objectieve, redelijke en goed geïnformeerde derde, die over alle relevante informatie beschikt, zal worden opgevat als het accountantsberoep in diskrediet brengend.

Deze maatstaf geldt ook voor het door een accountant innemen van standpunten in een tegen hem aanhangig gemaakte klachtprocedure.

De klacht is, als al ontvankelijk, in casu ongegrond.

Procedurenummers 17/874, 17/875 en 17/876 Wtra AK
Klacht over controle jaarrekening van vermogensbeheerder. Accountants hadden moeten onderkennen dat op vermogensbeheerder een feitelijke verplichting rustte om zogenaamde retrocessies die zij ontving van fonds(beheerder) uit hoofde van beleggingen die zij ten behoeve van haar cliënten deed, aan die cliënten door te betalen. Gezien een aantal in de uitspraak omschreven omstandigheden (waaronder informatie op de website van de vermogensbeheerder waarvan de accountants kennis hadden moeten nemen) hebben de accountants ten onrechte nagelaten bij de vermogensbeheerder navraag moeten doen naar het bestaan van een naar buiten toe kenbaar gemaakte gedragslijn om dergelijke retrocessies door te betalen.

Dat accountants eraan hebben meegewerkt dat een opdracht die feitelijk is gegeven door de Raad van Commissarissen van de vermogensbeheerder formeel werd verstrekt door het kantoor van de advocaat van de vermogensbeheerder om zodoende de uitkomst van de werkzaamheden onder de vlag van het verschoningsrecht van de advocaat te brengen en het strafrechtelijk onderzoek naar de vermogensbeheerder te frustreren is niet aannemelijk geworden.

Klacht dat een van de betrokken accountants tijdens zijn verhoor in het kader van het strafrechtelijk onderzoek door FIOD-ambtenaren  heeft gelogen is niet aannemelijk gemaakt. Wel had de betrokken accountant niet zonder meer antwoord moeten geven op een vraag maar eerst uiting moeten geven aan zijn twijfel en navraag moeten doen naar de bedoeling van de vraag. Dat heeft hij niet gedaan en daarmee heeft hij gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid.

Aan twee accountants wordt de maatregel van berisping opgelegd.  

Procedurenummer 18/256 Wtra AK
De door een medewerker van betrokkene verrichte werkzaamheden, waarvoor kennis en vaardigheden van de accountant vereist zijn, vinden hun oorsprong in de aan betrokkene verstrekte opdracht zodat betrokkene voor deze werkzaamheden tuchtrechtelijk aansprakelijk is. Dit geldt te meer nu betrokkene en de desbetreffende medewerker gezamenlijk samenstelwerkzaamheden verrichtten en stukken met vermelding van het logo van het accountantskantoor werden verzonden.

Betrokkene heeft, deels via zijn medewerker, op meer punten het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid geschonden, door:
- niet te toetsen of de aan de omzet- en liquiditeitsprognoses ten grondslag liggende veronderstellingen en schattingen juist en reëel waren en of de aan de financiering verbonden rente en aflossingen waren meegenomen;
- niet de risico’s te benoemen die zijn verbonden aangaan van een overeenkomst, hoewel dit uit de op hem rustende zorgplicht voortvloeit en cliënt zich in privé borg diende te stellen voor de terugbetaling van de lening;
- geen specificatie van de facturen te verstrekken en in deze weigering te volharden, ondanks een daartoe strekkend verzoek van de cliënt;
- als tekenend accountant niet zelf de jaarrekening over 2015 met zijn cliënt te bespreken, hoewel hiertoe aanleiding was, nu de jaarrekening een negatief vermogen liet zien en daarnaast sprake was van een krappe liquiditeit met een langlopende financiering vanuit privé en een relatief zwaar negatief resultaat;
- geen persoonlijk contact te hebben met (een vertegenwoordiger) van zijn cliënten voor de aanvang van de uitvoering van de opdracht.

Maatregel: Berisping

 

Procedurenummer 18/129 Wtra AK
Betrokkene heeft een verklaring gegeven, waarbij op vele punten de voorschriften uit paragraaf 18 van Standaard 4400 zijn geschonden, en daarmee ook het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid (artikel 2 onder d VGBA). Daarnaast heeft hij ontoelaatbare druk uitgeoefend op klager om geen klacht in te dienen. Maatregel: waarschuwing.

 

Procedurenummer 16/2118 Wtra AK
Persoonsgericht gericht onderzoek naar het handelen van een voormalig werknemer/trader bij een internationale onderneming die zich o.m. bezighoudt met papieren transacties en het speculeren op fysieke transacties betreffende biobrandstoffen. NV COS 4400 niet van toepassing. Betrokkene diende ermee rekening te houden dat zijn opdrachtgever zijn uit te brengen rapportage in een civiele procedure tegen de voormalige werknemer zou inbrengen. Voor aan een dergelijke rapportage te stellen eisen, zie o.m. CBb 20 september 2017, ECLI:NL:CBB:2017:364. Onder omstandigheden dienen ook de voorlopige conclusies voor wederhoor aan de onderzochte persoon te worden voorgelegd. In casu had ook het deel van het rapport, waarin betrokkene concludeerde dat zijn cliënte door het toerekenbaar handelen van de voormalige werknemer $ 95,596 miljoen schade heeft geleden, eerst ter wederhoor aan die voormalige werknemer dienen te worden voorgelegd. Klacht gedeeltelijk gegrond. Waarschuwing.

Procedurenummer 17/1314 Wtra AK
De klacht is ongegrond, nu klager onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat betrokkene op een comparitiezitting een valse en met opzet onjuiste verklaring heeft afgelegd en aldus tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

Procedurenummers 17/918, 17/919, 17/921, 17/922, 17/923, 17/924 en 17/926 Wtra AK
Klacht van Sobi tegen 7 betrokkenen is enkel onderbouwd met 3 krantenartikelen in het NRC. Hiermee heeft Sobi haar klacht onvoldoende onderbouwd en niet aannemelijk gemaakt. Nu Sobi te weinig heeft gesteld en haar klachten onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt, kan van betrokkenen, voor zover zij daartoe al in staat zouden zijn, niet gevergd worden stukken uit het accountantsdossier of andere stukken ter weerlegging van de klacht over te leggen. Betrokkenen doen daartoe, voor zover van toepassing, terecht een beroep op hun geheimhoudingsplicht (VGC) c.q. hun verplichting tot vertrouwelijkheid (VGBA). Eventuele (overigens niet gebleken) wetenschap van fraude bij een controlecliënt brengt volgens de toentertijd geldende regelgeving geen verplichting met zich dat 6 van de 7 betrokkenen aan bevoegde autoriteiten daarvan melding zouden hebben moeten maken. Voorts is door Sobi niet aannemelijk gemaakt dat, indien van fraude bij de controlecliënt en van wetenschap daarvan bij betrokkene zou moeten worden uitgegaan, er door betrokkene sub 7 ook daadwerkelijk geen melding is gemaakt. Van betrokkene kan niet gevergd worden, dat hij ten processe hierover mededelingen doet. Het zou strijdig zijn met de eisen van een goede tuchtprocesorde, indien een ieder door het indienen van een (niet met voldoende feiten onderbouwde) tuchtklacht, de facto een zogenaamde fishing expedition, een accountant ter afwering van die tuchtklacht zou kunnen dwingen zijn geheimhoudingsplicht te doorbreken. Voor zover het enkele aanvaarden van een functie bij de AFM op grond van art. 42 Wab al tuchtrechtelijk toetsbaar is, dan kan dit ingevolge de VGBA alleen aan het fundamentele beginsel van professionaliteit getoetst worden. Sobi heeft onvoldoende gesteld en/of aannemelijk gemaakt om tot het oordeel te kunnen komen dat betrokkene sub 7 door het aanvaarden van een functie in de raad van toezicht van de AFM het accountantsberoep in diskrediet heeft gebracht.

 

Procedurenummer 17/2489 Wtra AK
Niet aannemelijk is geworden dat betrokkene, als hij een audit uitvoert bij een bewindvoerder, vooraf bekend maakt welke dossiers hij in zijn onderzoek betrekt en evenmin dat hij zijn onderzoek niet altijd op locatie uitvoert. De klacht is daarom ongegrond.

Procedurenummer 17/2518 Wtra AK
Klacht ziet op handelen van een kantoorgenoot van betrokkene die onder fiscaal tuchtrecht valt. Betrokkene is voor dat handelen niet tuchtrechtelijk aansprakelijk. Klacht ongegrond.