Procedurenummer 13/2393 en 13/2394 Wtra AK

Klacht van de curatoren in het faillissement Econcern ontvankelijk geacht. Anders dan betrokkene menen, houdt de klacht niet slechts in dat zij ten onrechte de afgifte van de goedkeurende verklaring bij de jaarrekening 2007 zijn gekomen doch omvat en is gestoeld op tevens de verwijten dat betrokkene bij hun controlewerkzaamheden onvoldoende professioneel kritisch zijn geweest en die werkzaamheden met onvoldoende diepgang hebben uitgevoerd. Onvoldoende aannemelijk geworden dat klagers al drie jaar voor het indienen van de klacht op 21 oktober 2013 al konden vermoeden wat zij nu aan betrokkenen verwijten. De behandeling van de klacht dient te worden voortgezet.

 

Procedurenummer: 13/1932 Wtra AK

Positie accountant bij geschil tussen aandeelhouders en de begeleiding bij het uiteengaan van partijen. Klacht deels niet-ontvankelijk wegens overschrijding 3-jaarstermijn en deels ongegrond.

Procedurenummer 13/2639 Wtra AK

Rapport vervaardigd ter ondersteuning van het standpunt van de opdrachtgeefster in een civiele procedure kan de toets der kritiek niet doorstaan als het gaat om de door betrokkene te betrachten objectiviteit en deskundigheid en zorgvuldigheid. Betrokkene had niet moeten aansluiten bij NVCOS 5500N voor zijn rapportage doch bij NVCOS 3000, terwijl betrokkene zich niet heeft gehouden aan meerdere relevante bepalingen uit NVCOS 5500N. Betrokkene had voorts tot uiting moeten brengen dat hij geen hoor of wederhoor had toegepast en dat zulks wel zou zijn gedaan zijn rapport andere of meer informatie zou hebben kunnen bevatten. Klager heeft echter onvoldoende aangevoerd om aannemelijk te doen zijn dat de inhoud van het rapport een deugdelijke onderbouwing ontbeert. Volgt de maatregel van waarschuwing.

Procedurenummer 13/2469 Wtra AK

Geschil tussen ex-echtgenoten die eerder samenwerkten in een onderneming, waarbij de betrokken accountant reeds eerder berispt is (Wtra 11/754) o.m. omdat hij zich onvoldoende objectief heeft gedragen. De accountant heeft na zijn berisping nog diensten verleend aan één van de ex-echtgenoten. De andere ex-echtgenoot dient opnieuw een klacht tegen hem in.De Accountantskamer overweegt allereerst dat het niet verenigbaar is met de eisen van een behoorlijke tuchtprocedure dat een klager, nadat de Accountantskamer op diens klacht heeft beslist, een tweede klacht tegen dezelfde accountant indient over hetzelfde feitencomplex terzake een handelen of nalaten dat ten tijde van de behandeling van die eerdere klacht bij de klager bekend was of had kunnen zijn en niet gebleken is van nieuwe, relevante feiten welke een nieuwe tuchtrechtelijke beoordeling zouden rechtvaardigen. De klacht is daarom deels niet-ontvankelijk. Voor wat betreft handelen/nalaten door betrokkene zich voorgedaan hebbend na de mondelinge behandeling in de vorige klachtzaak, wordt de klacht ongegrond verklaard, omdat niet opnieuw gebleken is dat betrokkene onvoldoende waarborgen voor zijn objectiviteit in acht heeft genomen.

Procedurenummer 13/2343 Wtra AK
Kantoorgenoot controleert de jaarrekening 2011 van vennootschap en geeft daar een goedkeurende verklaring af. Kort nadien wordt na een vijandig biedingsproces de vennootschap overgenomen en worden de bestuurders van de vennootschap vervangen. Uit het vervolgens uitgevoerde door een derde uitgevoerde due diligence onderzoek blijken aanwijzingen dat er in de jaarrekening 2011 geen rekening is gehouden met een bepaal scheepsbouwcontract. Betrokkene, die inmiddels zijn kantoorgenoot als extern accountant van de vennootschap was opgevolgd, stelt vervolgens een onderzoek in naar mogelijke onregelmatigheden bij de controle van de jaarrekening 2011; nadien controleert hij de herziene jaarrekening 2011 en geeft hij een goedkeurende verklaring af. De voormalige bestuurders van de vennootschap beklagen zich vergeefs over betrokkene. De enkele omstandigheid dat betrokkene bemoeienis heeft gehad bij de controle van de eerste jaarrekening 2011 als 'quality review partner' betekent al niet dat hij niet onafhankelijk was of niet objectief kon zijn. Betrokkene heeft voldoende maatregelen getroffen om eventuele bedreigingen voor zijn naleving van de fundamentele beginselen tot een aanvaardbaar niveau terug te brengen. Niet aannemelijk is geworden dat betrokkene in enigerlei opzicht onder druk is gezet door de vennootschap of haar moedervennootschap. Onjuist is het verwijt dat betrokkene zijn onderzoek met onvoldoende diepgang en op eenzijdige wijze heeft uitgevoerd en te weinig kritisch is geweest. Volgt ongegrondverklaring van alle onderdelen van de klacht.

Procedurenummer 13/2144 Wtra AK
Klacht deels niet ontvankelijk wegens overschrijding van de driejaarstermijn en deels ongegrond. In het bijzonder is onaannemelijk geworden dat betrokkene kan worden verweten dat klager een schuur/werkplaats ten onrechte als fiscaal privévermogen heeft aangemerkt.

Procedurenummer 13/2146 Wtra AK
Klager neemt als apotheker waar in de apotheek van de broer van betrokkene. Betrokkene heeft – al dan niet in vereniging met zijn broer – misbruik gemaakt van de afhankelijke positie waarin klager als waarnemer verkeerde, door klager de helft van de door hem ontvangen waarnemingsvergoeding te laten betalen aan de vennootschap van betrokkene en zijn broer, zulks als voorwaarde voor voortzetting van de waarneming. Aangenomen moet worden dat deze (carroussel)constructie strekte tot afroming van de geldstroom binnen de apotheek. Betrokkene heeft zich als bestuurder en (voormalig) aandeelhouder van die vennootschap daardoor laten leiden door eigenbelang, met alle nadelige gevolgen voor klager en de apotheek. Betrokkene heeft nadien die handelwijze toegedekt door zich te verschuilen achter de vennootschap en zijn broer. De ernst van de schending daardoor van de fundamentele beginselen van integriteit, objectiviteit en professioneel gedrag kan niet snel worden overschat. Volgt de maatregel van doorhaling, onder bepaling van de termijn dat betrokkene zich niet opnieuw kan inschrijven op 5 jaren.

Procedurenummer 13/2005 Wtra AK
Klacht over het onjuist doen door betrokkene van een fiscale aangifte in privé. Anders dan klager gemotiveerd en niet onverdedigbaar betoogt, laten de overwegingen van het CBb in zijn uitspraak van 11 oktober 2012, zolang het CBb niet tot een ander oordeel komt, geen ruimte voor een stelling als zou de Accountantskamer na invoering van de Wab per 1 januari 2013 (alsnog) bevoegd zijn te oordelen over gedragingen van accountants in privé, die hebben plaatsgevonden in de periode van 1 mei 2009 tot 1 januari 2013, voor zover die het beroep raken. Volgt niet-ontvankelijkverklaring van de klacht.

Procedurenummer 13/1881 Wtra AK
AA heeft aan cliënt (notariskantoor) wel voldoende duidelijk gemaakt dat zijn kantoor verantwoordelijk was voor het samenstellen van de jaarrekening van het notariskantoor en het afgeven van de verklaring bedoeld in artikel 112 Wet op het notarisambt (Wna), maar niet wat de reikwijdte was van de uitgevoerde beoordelingen (in de zin van NVCOS 2400) van haar jaarrekeningen over 2010 en 2011.

De door de AA afgegeven verklaringen bedoeld in artikel 8 van de Administratieverordening (steunend op de Wna) over 2010 en 2011 voldoen niet aan de eisen die voor dergelijke verklaringen gelden. De eerste verklaring houdt in dat de administratie van het notariskantoor in 2010 in opzet voldeed aan de regels van de Administratieverordening, terwijl de AA in dat jaar geen zicht kon hebben op de inrichting van de administratie. De tweede verklaring houdt in dat de administratie op 1 januari 2012, zijnde een feestdag, voldeed aan de regels van de Administratieverordening.

Bij het samenstellen van de jaarrekeningen over 2010 en 2011 heeft de AA gehandeld in strijd met het bepaalde in de paragrafen 13 en 14 van de NVCOS 4410 doordat hij een vordering in de jaarrekening heeft opgenomen zonder dat hij van het notariskantoor gegevens had ontvangen waaruit het bestaan en de hoogte van de vordering blijkt. Ten tijde van het afgeven van de verklaringen bedoeld in artikel 112 Wna beschikte de AA ook niet over de hiervoor bedoelde gegevens. Dat is in strijd met het bepaalde in NVCOS 2400.

Berisping

Procedurenummer: 13/1407 Wtra AK Betrokkene verricht werkzaamheden voor familiebedrijf én voor de aandeelhoudende vennootschappen van vader en twee broers. De broers zijn tevens de bestuurders van het familiebedrijf. Tussen één broer enerzijds en vader en de andere broer anderzijds ontstaat een geschil, leidend tot een formele aansprakelijkstelling door de ene broer van zijn vader en de andere broer. Vastgesteld moet worden dat betrokkene geen aandacht heeft geschonken aan de daaruit voor hem voortvloeiende bedreigingen voor zijn geheimhoudingsplicht en/of voor zijn objectiviteit, waardoor betrokkene ten onrechte heeft nagelaten het conceptueel raamwerk toe te passen. Voorts moet worden vastgesteld dat de oordeelsvorming van betrokkene daadwerkelijk is aangetast doordat hij is ingegaan op het verzoek van de andere broer om de administratie van het familiebedrijf te onderzoeken en hem zijn zienswijze daarop te geven en de ene broer van een en ander onkundig te houden en die werkzaamheden in rekening te brengen bij het familiebedrijf en niet bij de opdrachtgevende broer. Evenmin kan de toets der kritiek doorstaan de handelwijze met betrekking tot tussentijdse cijfers. In die opstelling is geen aandacht geschonken aan de visie van de ene broer op de in geschil zijnde posten, terwijl betrokkene wist dat die opstelling een rol zouden gaan spelen tijdens de AvA van het familiebedrijf, in het bijzonder of het faillissement moest worden aangevraagd. Tot slot moet worden gelaakt dat betrokkene in de gegeven omstandigheid van een al langer bestaand conflict tussen de aandeelhouders onderling, waarvan er twee ook de bestuurders zijn, zijn opdracht heeft beëindigd voor zover die zag op het familiebedrijf, de aandeelhoudende vennootschap van de ene broer en op die broer zelf en dat betrokkene de opdracht heeft voortgezet wat betreft de andere aandeelhoudende vennootschappen en de andere broer. In die situatie was het aangewezen geweest dat betrokkene de opdracht met beide strijdende partijen had beëindigd. Volgt maatregel van berisping.
Procedurenummer: 13/2415 Wtra AK Klachten over handelen/nalaten accountant van een voormalige cliënt die wordt verdacht van BTW-fraude. De eisen van een behoorlijke tuchtprocedure houden in dat voor de tuchtrechter en voor de accountant tegen wie de klacht is gericht, boven iedere twijfel is verheven op welke (voormalige) cliënt van de accountant de klager het oog heeft en in samenhang daarmee op welk handelen of nalaten van die accountant. In deze zaak is aan deze eis niet voldaan doordat in de stukken uit privacyoverwegingen alleen de eerste letter van de naam van de voormalige cliënt zichtbaar is. Betrokkene heeft ter zitting een naam genoemd die strookt met wat er zichtbaar is van de naam in de stukken. Ook dat is niet voldoende doordat klager niet heeft bevestigd dat het om de persoon gaat die betrokkene heeft genoemd. De privacy van de cliënt is afdoende gewaarborgd doordat de voorzitter en de leden van de Ack gehouden zijn tot geheimhouding en doordat bepaald kan worden dat de zitting met gesloten deuren plaatsvindt. Klager krijgt de gelegenheid alsnog uitsluitsel te verschaffen over de identiteit van de voormalige cliënt. Uit het bepaalde in artikel 6 EVRM vloeit niet voort dat in een procedure voor de tuchtrechter op grond van de Wtra tot de bij het klaagschrift over te leggen stukken als bedoeld in artikel 22, derde lid, van de Wtra, in alle gevallen alle of een aantal van de stukken van de strafzaak tegen de voormalige cliënt van betrokkene moeten worden gerekend. Tot de stukken in de zin van artikel 22, derde lid, van de Wtra, behoren de stukken die voor de tuchtrechter van belang kunnen zijn om tot een uitspraak te komen en de stukken waarmee het aan de klacht ten grondslag liggende handelen of nalaten en de strijdigheid van dit handelen of nalaten met de beroeps- en/of gedragsregels die de klager geschonden acht, aannemelijk worden gemaakt. Een verzoek van de accountant tegen wie de klacht is gericht om een bepaald stuk alsnog in het geding te laten brengen, moet als regel worden gemotiveerd en zal mede in het licht van het voorgaande worden beoordeeld. Daarbij wordt in het aanmerking genomen dat de accountant veelal aanknopingspunten voor de onderbouwing van zijn verweer kan ontlenen aan het dossier van de cliënt waarover hij of zijn kantoor beschikt. Gelet op het vorenstaande is er geen grond om klager te verzoeken “de onderliggende stukken uit het strafdossier” over te leggen. Het ontbreken van die stukken leidt niet tot niet-ontvankelijkheid van klager of de klacht. Met het oog op het oordeel over de ontvankelijkheid van de klacht in het licht van de driejaarstermijn wenst de Ack wel nader te worden geïnformeerd over het tijdstip waarop klager kennis droeg van de gegevens waarop het vermoeden van artikel 22, eerste lid, van de Wtra, kan worden gefundeerd.