Procedurenummer 14/57 Wtra AK
De opvatting van klaagster dat op accountant van (aanvankelijk erflater en diens vennootschap en na diens overlijden van) de weduwe (de moeder van klaagster) en diezelfde vennootschap, een maatschappelijke zorgplicht rust om klaagster en haar zussen (in hun hoedanigheid van mede-erfgenamen naast de weduwe) erover had moeten inlichten dat weduwe (onder invloed van haar zoon, broer van klaagster en ook mede-erfgenaam) had beschikt over de nalatenschap op een wijze die ten voordele van de zoon en ten nadele van klaagster en haar zussen strekte, vindt geen steun in enige beroeps- of gedragsregel. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat er geen feiten of omstandigheden zijn gesteld of gebleken die voor betrokkene aanleiding hadden moeten zijn om op enig moment te twijfelen aan de handelingsbekwaamheid van de weduwe. Van belang is ook dat niet is komen vast te staan dat betrokkene diensten heeft verricht die verband houden met nog te verrichten transacties tussen weduwe en zoon. Betrokkene stelt terecht dat  fundamentele beginsel van vertrouwelijkheid in de weg staat aan het informeren van klaagster.

Procedurenummer 13/2941 Wtra AK

Voormalig registeraccountant was leider van een onderzoek in opdracht burgemeester naar het uitoefenen van druk “vanuit de PvdA” op een stichting in relatie tot de dienstbetrekking van klaagster, en in het bijzonder of en zo ja, hoe de subsidierelatie van de gemeente met de stichting aan de orde is gesteld en als drukmiddel is gebruikt. Klaagster is voormalig raadslid voor de PvdA. Zij is uit de fractie getreden en heeft dat toegelicht in een brief aan de burgemeester. Een fotokopie daarvan heeft ze aan alle raadsleden gezonden. Die brief, waarin ze ook verslag doet van bemoeienis van PvdA-fractieleden met haar werkrelatie tot een van de vrijwilligsters van de stichting (een dochter van een van de fractieleden), is door een (ander) raadslid van de PvdA doorgestuurd naar de directeur van de welzijnsstichting. Daarop wordt klaagster op staande voet ontslagen, omdat zij zich niet aan redelijke werkafspraken heeft gehouden en omdat zij met de brief schade berokkend heeft aan de welzijnsstichting.

Betrokkene heeft in het onderzoeksrapport geoordeeld dat er geen aanwijzingen zijn dat er in relatie tot de dienstbetrekking van klaagster druk is uitgeoefend op de stichting. De subsidierelatie is niet bij de directeur van de stichting aan de orde gesteld. Het doorsturen van de brief van klaagster aan de burgemeester is niet te beschouwen als het schenden van vertrouwelijkheid want het was geen vertrouwelijk stuk omdat het in kopie aan alle raadsleden was gestuurd. Van overtreding van de gedragscode voor leden van de gemeenteraad is niet gebleken.  

De Ack is van oordeel dat betrokkene de opdracht te zeer heeft verengd tot de vraag of het doorsturen van de brief van klaagster aan de gemeenteraad is te beschouwen als het openbaren van vertrouwelijke informatie. Zelfs als het geen vertrouwelijk stuk was, heeft betrokkene verzuimd aan het raadslid dat de brief had doorgestuurd, te vragen met welk doel dit was gebeurd. Hij heeft die vraag ook niet voorgelegd aan de directeur van de stichting. Betrokkene heeft dus niet (kenbaar) onder ogen gezien of met het doorsturen van de brief mede was beoogd het uitoefenen van druk op de stichting een stap te zetten in het kader van de arbeidsverhouding van klaagster met de stichting. Volgens de gedragscode voor leden van de gemeenteraad moet een raadslid zorgvuldig en correct omgaan met informatie waarover hij uit hoofde van zijn raadslidmaatschap beschikt. Oordeel dat van overtreding van de gedragscode niet is gebleken, is in het licht van het vorenstaande niet zonder meer begrijpelijk. Verzuimen leveren schending van fundamentele beginsel van deskundigheid en zorgvuldigheid op.

Procedurenummer 13/2907 Wtra AK
In de e-mail van 14 april 2012 heeft betrokkene op verzoek van de ene cliënt zijn oordeel gegeven over een standpunt van de advocaat van een andere cliënt in de echtscheidingsprocedure tegen de ene cliënt over een kwestie, die niet is geregeld in de (door betrokkene in opdracht van beide cliënten opgestelde) vaststellingsovereenkomst. In aanmerking nemend dat betrokkene destijds nog accountant van beide cliënten  was, is hij door dit verzoek in een situatie komen te verkeren waarin zijn professionele oordeel op een ongepaste wijze kan worden beïnvloed als bedoeld in artikel A-120.2 van de VGC. Dat klemt te meer nu betrokkene wist of kon vermoeden dat zijn oordeel (mede) ten grondslag zou worden gelegd aan het standpunt van de ene cliënt in de procedure tegen de andere en in de oordeelsvorming door de rechter zou kunnen worden betrokken. Betrokkene had tegen deze bedreiging van niet te verwaarlozen betekenis van zijn objectiviteit waarborgen moeten treffen die de bedreiging wegnamen of terugbrachten tot een aanvaardbaar niveau. Denkbaar was dat hij tevoren aan de andere cliënt had gevraagd of zij bezwaar had tegen het inwilligen van het verzoek van de ene cliënt. Dat hij een zodanige waarborg heeft getroffen is gesteld noch gebleken. Daarmee heeft hij in strijd gehandeld met artikel A-100.4 sub b. juncto artikel A-100.5 van de VGC en daarom moet klachtonderdeel 1) in zoverre gegrond worden verklaard.

Procedurenummer 14/390 Wtra AK

Privé belastingfraude. Wat betreft de periode 1 mei 2009 tot 1 januari 2013 niet-ontvankelijk, omdat privéhandelen tijdens die periode o.g.v. jurisprudentie van het CBb niet voor tuchtrechtelijke toetsing vatbaar is. Wat betreft de periode vóór 1 mei 2009 gegrond. I.v.m. bijzondere persoonlijke omstandigheden wordt volstaan met een tijdelijke doorhaling voor de duur van 2 maanden.

Procedurenummer 13/2906 Wtra AK
Accountant geeft samenstellingsverklaringen af bij jaarrekeningen 2009 en 2010 van coffeeshop. Inkoop- en voorraadadministratie werd verzorgd door een derde. Coffeeshop houdt eind 2009 en eind 2010 een kassaldo aan van omstreeks 500.000 euro. Betrokkene heeft erkend dat de inkoopadministratie niet volledig is. Hij kreeg van de derde alleen maar een maandelijks overzicht van de inkopen zonder de onderliggende stukken. Hij heeft het kassaldo nooit zelf gezien. Onweersproken is dat kasgeld mocht worden gestort bij een bank. Onder die omstandigheden doet zich een situatie voor waarin hij op grond van paragraaf 13 van de COS 4410 nader onderzoek moeten doen naar de inkopen. Betrokkene had gezien van het aanhouden van het  hoge kassaldo gezien het ontbreken van nadere bescheiden over de inkopen, meldingen moeten doen op grond van de WWFT.
Gegrond maar geen maatregel opgelegd want inbreuk op deskundigheid en zorgvuldigheid en professionaliteit is betrokkene, gelet op de aard van het bedrijf (waarin de verkoop wordt gedoogd maar de inkoop als crimineel handelen wordt beschouwd) niet zwaar aan te rekenen. Betrokkene is intussen gestopt met werken voor coffeeshops.
Accountantskamer geeft beroepsgroep in overweging geen diensten meer te verlenen aan entiteiten zoals bijvoorbeeld een coffeeshop, die zich met gedoogde en tegelijk buitenwettelijke activiteiten inlaten omdat daarbij het risico van niet integer handelen te groot is.   

Procedurenummer 14/19 Wtra AK
Betrokkene moet alsnog een deel van zijn controledossier overleggen. Weigering van betrokkene om daartoe over te gaan kan niet worden gerechtvaardigd met een beroep op zijn verplichting tot het zich houden aan het fundamentele beginsel van vertrouwelijkheid als bedoeld in artikel 2 van de VGBA. Beoordeling van dit beroep door de Accountantskamer verloopt langs dezelfde lijnen als uiteengezet in de tussenbeslissing van 20 januari 2014 (ECLI NL TACAKN 2014:7).

Procedurenummer 13/2762 Wtra AK

Betrokkene had (gezien contante transacties van een cliënt met Oezbekistan zonder onderliggende stukken, en gezien het te weinig afdragen door die cliënt van ruim 600.000 euro aan omzetbelasting, welke beide omstandigheden een verhoogd risico op witwassen met zich brengen) aanvullend cliëntenonderzoek als bedoeld in artikel 8 WWFT moeten verrichten. Nu noch de WWFT noch het BFT duidelijk maakt wat dat aanvullende onderzoek had moeten inhouden (betrokkene beschikte al over een kopie van de identiteitskaarten van de bestuurder en haar echtgenoot) is de klacht niettemin ongegrond. Betrokkene had de hiervoor vermelde omstandigheden wel moeten melden op grond van artikel 16 van de WWFT. Dat er al een onderzoek gaande was van de belastingdienst naar de afdracht van de omzetbelasting door de cliënt doet aan die verplichting niet af.

Betrokkene had bij een andere cliënt waarvan het vermogen toebehoort aan een Luxemburgse familiestichting (welke familie volgens betrokkene bestaat uit een echtpaar en hun vier kinderen) aan de hand van de regels die gelden voor die stichting, moeten nagaan of de uiteindelijk belanghebbende bij het vermogen (in de zin van de WWFT) alleen (zoals hij stelt) de man van het echtpaar is en dat moeten vastleggen, nu niet uitgesloten is dat er vier of nog minder uiteindelijk belanghebbenden zijn. In zoverre is klacht gegrond.

 

Procedurenummer 13/2492 Wtra AK

In geconsolideerde en in enkelvoudige jaarrekening staan onjuiste vermeldingen over verworven aandelenbelang (80% terwijl het in werkelijkheid 100% is). De Accountantskamer is van oordeel dat betrokkene bij zijn controle van de onjuiste vermelding(en) terecht onder ogen heeft gezien of de onjuistheden een afwijking van materieel belang opleverden. Bij een beoordeling door een controlerend accountant of daarvan sprake is, moet leidend zijn of een onjuiste vermelding (afzonderlijk of samen met andere onjuistheden) de beslissingen van gebruikers van de jaarrekeningen kan beïnvloeden in die zin dat hen daardoor niet het wettelijk vereiste inzicht omtrent het vermogen en het resultaat van de rechtspersoon wordt geboden. Bij het vormen van dit oordeel door de accountant spelen onder meer een rol de begrijpelijkheid van de (overige) gegevens die wel in de jaarrekeningen zijn opgenomen, de vergelijkbaarheid van de gegevens die zijn vermeld in de enkelvoudige en de geconsolideerde jaarrekening en de relevantie van het (niet) vermelden van de juiste gegevens, indien en voor zover de accountant kennis heeft van die relevantie of die relevantie moet begrijpen, gezien de aard van de gegevens, de relatieve betekenis ervan of de tijdigheid van het niet vermelden. Betrokkene heeft ervoor gekozen acht te slaan op de gegevens die zijn opgesomd aan het slot van rechtsoverweging 4.4.1. De Accountantskamer acht die keuze aanvaardbaar. Uitgaande van die gegevens heeft betrokkene kunnen oordelen dat de onjuiste vermeldingen geen afwijking van materieel belang opleverden. Niet gebleken is dat betrokkene acht had moeten slaan op andere gegevens die mogelijk tot een ander oordeel noopten.

Procedurenummer 13/2492 Wtra AK

De Accountantskamer is van oordeel dat betrokkene, gezien de tijd die was verstreken tussen het moment waarop hij heeft kennisgenomen van de toelichting van het bestuur en van de verklaring van de advocaat van de vennootschap over de mogelijke uitkomst van een procedure aangespannen tegen de vennootschap, en het moment waarop de jaarrekeningen zijn vastgesteld (ruim negen maanden), bij de controle van de beslissing van het bestuur om (in de terminologie van RJ 252) het zeer onwaarschijnlijk te achten dat die procedure tot een verplichting zou leiden die een uitstroom van middelen noodzakelijk maakte, niet kon volstaan met de mededeling van het bestuur dat hij alle relevante informatie over lopende procedures had verstrekt. Die mededeling sec zegt immers niets over het verloop en de mogelijke uitkomst van de procedure. Het lag daarom voor de hand over die mogelijke uitkomst nogmaals navraag te doen bij de advocaat. Dit verzuim levert een schending op van het fundamentele beginsel van deskundigheid en zorgvuldigheid.

Procedurenummer 14/233 Wtra AK

Klacht deels niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de zesjaarstermijn respectievelijk driejaarstermijn uit artikel 22 Wtra. De resterende klachten over het handelen en nalaten van betrokkene in verband met zijn werkzaamheden omtrent de jaarrekening onvoldoende onderbouwd. Tot slot is de klacht over door betrokkene opstellen van een assurance-rapport ter ondersteuning van een standpunt van zijn opdrachtgever in een geschil ongegrond.