Procedurenummer: 13/1407 Wtra AK Betrokkene verricht werkzaamheden voor familiebedrijf én voor de aandeelhoudende vennootschappen van vader en twee broers. De broers zijn tevens de bestuurders van het familiebedrijf. Tussen één broer enerzijds en vader en de andere broer anderzijds ontstaat een geschil, leidend tot een formele aansprakelijkstelling door de ene broer van zijn vader en de andere broer. Vastgesteld moet worden dat betrokkene geen aandacht heeft geschonken aan de daaruit voor hem voortvloeiende bedreigingen voor zijn geheimhoudingsplicht en/of voor zijn objectiviteit, waardoor betrokkene ten onrechte heeft nagelaten het conceptueel raamwerk toe te passen. Voorts moet worden vastgesteld dat de oordeelsvorming van betrokkene daadwerkelijk is aangetast doordat hij is ingegaan op het verzoek van de andere broer om de administratie van het familiebedrijf te onderzoeken en hem zijn zienswijze daarop te geven en de ene broer van een en ander onkundig te houden en die werkzaamheden in rekening te brengen bij het familiebedrijf en niet bij de opdrachtgevende broer. Evenmin kan de toets der kritiek doorstaan de handelwijze met betrekking tot tussentijdse cijfers. In die opstelling is geen aandacht geschonken aan de visie van de ene broer op de in geschil zijnde posten, terwijl betrokkene wist dat die opstelling een rol zouden gaan spelen tijdens de AvA van het familiebedrijf, in het bijzonder of het faillissement moest worden aangevraagd. Tot slot moet worden gelaakt dat betrokkene in de gegeven omstandigheid van een al langer bestaand conflict tussen de aandeelhouders onderling, waarvan er twee ook de bestuurders zijn, zijn opdracht heeft beëindigd voor zover die zag op het familiebedrijf, de aandeelhoudende vennootschap van de ene broer en op die broer zelf en dat betrokkene de opdracht heeft voortgezet wat betreft de andere aandeelhoudende vennootschappen en de andere broer. In die situatie was het aangewezen geweest dat betrokkene de opdracht met beide strijdende partijen had beëindigd. Volgt maatregel van berisping.
Procedurenummer: 13/2415 Wtra AK Klachten over handelen/nalaten accountant van een voormalige cliënt die wordt verdacht van BTW-fraude. De eisen van een behoorlijke tuchtprocedure houden in dat voor de tuchtrechter en voor de accountant tegen wie de klacht is gericht, boven iedere twijfel is verheven op welke (voormalige) cliënt van de accountant de klager het oog heeft en in samenhang daarmee op welk handelen of nalaten van die accountant. In deze zaak is aan deze eis niet voldaan doordat in de stukken uit privacyoverwegingen alleen de eerste letter van de naam van de voormalige cliënt zichtbaar is. Betrokkene heeft ter zitting een naam genoemd die strookt met wat er zichtbaar is van de naam in de stukken. Ook dat is niet voldoende doordat klager niet heeft bevestigd dat het om de persoon gaat die betrokkene heeft genoemd. De privacy van de cliënt is afdoende gewaarborgd doordat de voorzitter en de leden van de Ack gehouden zijn tot geheimhouding en doordat bepaald kan worden dat de zitting met gesloten deuren plaatsvindt. Klager krijgt de gelegenheid alsnog uitsluitsel te verschaffen over de identiteit van de voormalige cliënt. Uit het bepaalde in artikel 6 EVRM vloeit niet voort dat in een procedure voor de tuchtrechter op grond van de Wtra tot de bij het klaagschrift over te leggen stukken als bedoeld in artikel 22, derde lid, van de Wtra, in alle gevallen alle of een aantal van de stukken van de strafzaak tegen de voormalige cliënt van betrokkene moeten worden gerekend. Tot de stukken in de zin van artikel 22, derde lid, van de Wtra, behoren de stukken die voor de tuchtrechter van belang kunnen zijn om tot een uitspraak te komen en de stukken waarmee het aan de klacht ten grondslag liggende handelen of nalaten en de strijdigheid van dit handelen of nalaten met de beroeps- en/of gedragsregels die de klager geschonden acht, aannemelijk worden gemaakt. Een verzoek van de accountant tegen wie de klacht is gericht om een bepaald stuk alsnog in het geding te laten brengen, moet als regel worden gemotiveerd en zal mede in het licht van het voorgaande worden beoordeeld. Daarbij wordt in het aanmerking genomen dat de accountant veelal aanknopingspunten voor de onderbouwing van zijn verweer kan ontlenen aan het dossier van de cliënt waarover hij of zijn kantoor beschikt. Gelet op het vorenstaande is er geen grond om klager te verzoeken “de onderliggende stukken uit het strafdossier” over te leggen. Het ontbreken van die stukken leidt niet tot niet-ontvankelijkheid van klager of de klacht. Met het oog op het oordeel over de ontvankelijkheid van de klacht in het licht van de driejaarstermijn wenst de Ack wel nader te worden geïnformeerd over het tijdstip waarop klager kennis droeg van de gegevens waarop het vermoeden van artikel 22, eerste lid, van de Wtra, kan worden gefundeerd.

Procedurenummer 13/2508 Wtra AK
Kantoortoetsing. In de bevindingen van de toetsers en het verweer van betrokkene wordt aanleiding gezien om op kosten van betrokkene de praktijk van betrokkene op korte termijn opnieuw te toetsen. In afwachting van de uitkomst daarvan wordt de beslissing in de tuchtzaak aangehouden.

Procedurenummer 12/2451 Wtra AK
Accountant geeft in juni 2011 goedkeurende verklaring af bij jaarrekening over 2010 van twee vennootschappen die deel uitmaken van een groep. Een van deze vennootschappen (die zelf niet controleplichtig is) heeft als nagenoeg enig actief een stuk grond in de gemeente X. De bestemming van deze grond was ten tijde van de aankoop van de grond akkerbouw. In 2006 is de bestemming van de grond gewijzigd in bedrijfsdoeleinden. In de jaarrekening over dat jaar is de grond voor het eerst gewaardeerd op basis van de actuele waarde die hoger ligt dan de kostprijs. In verband met deze waardevermeerdering is in de jaarrekening over 2006 een herwaarderingsreserve gevormd. In 2008 is de grond getaxeerd door een externe taxateur.(Mede) op basis van deze taxatie is de waarde van de grond in de jaarrekening over dat jaar nog iets verhoogd, onder gelijktijdige aanpassing van de herwaarderingsreserve. In 2009 zijn de aandelen van de vennootschap waarvan de grond nagenoeg het enige actief is, tegen de nettovermogenswaarde verkocht aan een andere vennootschap die ook deel uitmaakt van de groep. De uiteindelijke aandeelhouder bleef de grootmoedervennootschap. De met de verkoop van de aandelen samenhangende schuld is gecedeerd aan de grootmoedervennootschap die op haar beurt de vordering heeft omgezet in agio, die als agioreserve is verantwoord in de jaarrekening van de kopende vennootschap. Deze laatste vennootschap is in februari 2012 op eigen aangifte failliet verklaard. Een maand later worden ook de vennootschap met de grond en de grootmoedervennootschap failliet verklaard.Klacht houdt onder meer in dat de controlerend accountant over te weinig controle-informatie beschikte ten aanzien van de waardering van de grond en ten onrechte heeft ingestemd met de beslissing om de agioreserve niet als wettelijke reserve deelneming aan te merken. Beide klachtonderdelen zijn gegrond. De accountant had zich expliciet moeten afvragen of er een reële kans bestond dat het optimale ontwikkelingsscenario waarvan de externe taxateur in 2008 is uitgegaan, dat voorzag in splitsing van de grond in drie percelen en de bouw van een hal op elk van deze percelen, op afzienbare termijn werkelijkheid kon worden. Daartoe diende hij niet alleen te beschikken over de prijzen van door de gemeente X uitgegeven en uit te geven grond en acht te slaan op de verkoop en levering van vergelijkbare percelen, maar ook zicht te hebben op de feitelijke ontwikkeling van het bedrijventerrein en op het tempo waarin deze zich sedert de wijziging van de bestemming van de grond had voltrokken. Deze benadering was te meer aangewezen door het nog altijd voortduren van de kredietcrisis. De accountant ontbeerde dat zicht en daardoor was zijn oordeel over de aanvaardbaarheid van de waardebepaling van de grond ontoereikend gemotiveerd. Nu het om informatie van materieel belang ging, was er onvoldoende grondslag voor het afgeven van de goedkeurende verklaring.
Voor het inzicht dat de jaarrekening volgens artikel 2:362 lid 1 van het BW moet bieden, is het noodzakelijk dat bij elke rechtspersoon die deel uitmaakt van een groep rechtspersonen, gekozen wordt voor dezelfde waarderingsgrondslagen. Gelet daarop en op het feit dat er in de jaarrekening van de grootmoeder over 2010 net als in de jaarrekeningen van de grootmoeder over de jaren daarvoor een herwaarderingsreserve was opgenomen in verband met de waardevermeerdering van de grond, had die reserve ook moeten worden opgenomen in de jaarrekening van de vennootschap die de nieuwe aandeelhouder was geworden van de vennootschap die de grond als nagenoeg enig actief had. Het opnemen van een agioreserve is daarmee in strijd. Dat klemt te meer nu een agioreserve wel en een herwaarderingsreserve niet tot de vrij uitkeerbare reserves behoort en de waardevermeerdering van de grond pas feitelijk wordt gerealiseerd bij verkoop van de grond.  
Berisping.   

 

Procedurenummer 13/1744 Wtra AK
Klachten in verband met pogingen om klanten van een directe concurrent ertoe te bewegen, over te stappen naar het kantoor van de zoon van betrokkene. Betrokkene is ingeschreven als accountant in business. Hij verricht voor de onderneming van zijn zoon onder meer aan assurance verwante opdrachten. Daardoor kwalificeerde hij ten tijde van belang als openbaar accountant. Bij benaderen klanten concurrent is gebruik gemaakt van een lijst met klanten die voor een geheel ander doel was verstrekt. Het deelnemen aan een gesprek met een klant door betrokkene is gelet hierop, in strijd met de fundamentele beginselen van integriteit en professioneel gedrag. Door niet te voorkomen dat het kantoor van de zoon van betrokkene gebruik maakte van de hiervoor bedoelde lijst, heeft betrokkene ook het voorschrift van artikel B1-291.2 van de VGC (voorkomen dat beleid in strijd met de VGC wordt gevoerd) overtreden. Berisping.

Procedurenummer 13/1724 Wtra AK

Accountant verricht de controle van de verantwoording van de besteding van een voor het jaar 2011 aan een stichting toegekende financiële bijdrage als tegemoetkoming in de kosten van het functioneren van een fractie in de stadsdeelraad. De Verordening fractieondersteuning bepaalt dat elke fractie jaarlijks een bijdrage ontvangt. 90% daarvan wordt in januari van het betreffende jaar uitgekeerd. Het restant wordt pas uitgekeerd indien en voor zover is voldaan aan de verantwoordingsverplichting. De stadsdeelraad heeft de eindsaldi van de vergoedingen over 2010 in januari 2012 vastgesteld. Daarna wordt de resterende 10% van de vergoeding voor 2010 uitbetaald. De accountant rekent deze 10% tot de reserve van de stichting op 1 januari 2011. Over dat standpunt ontstaat een verschil van mening met de stichting. De klacht dat het standpunt van betrokkene het resultaat is van ongepaste beinvloeding door de waarnemend griffier van de stadsdeelraad is niet aannemelijk geworden. Ook de klacht dat betrokkene zich had moeten conformeren aan het andersluidende standpunt van de stichting faalt. Zijn standpunt is in overeenstemming met de toepasselijke algemene regels van financiële verslaglegging.