Uitspraken 2 maart 2020

Procedurenummer 19/1209 Wtra AK
Klaagster was klant bij het administratiekantoor van de echtgenote van betrokkene. Hij was elders werkzaam, maar verrichtte ook werkzaamheden voor klaagster via het administratiekantoor. Hiervoor is betrokkene feitelijk verantwoordelijk te houden. Klacht m.b.t. jaarrekening gegrond; betrokkene had onvoldoende inzicht in de onderneming. Op verzoek van vm aandeelhouder van klaagster heeft betrokkene (buiten het administratiekantoor om) een waardering van het aandelenpakket gemaakt. Betrokkene was bekend met onenigheid tussen de vm aandeelhouders. Bedreiging voor het zich niet houden aan beginsel van objectiviteit niet onderkend. Klacht op dat punt ook gegrond. Maatregel: berisping.

Procedurenummer 19/1426 Wtra AK
Een accountant heeft in opdracht van het gerechtshof een deskundigenbericht uitgebracht. De accountant wordt (onder andere) verweten dat het door hem uitgevoerde onderzoek ondeugdelijk was. De klacht is gegrond, omdat de accountant zijn bevindingen en conclusies in het deskundigenbericht volstrekt onvoldoende heeft onderbouwd. Betrokkene heeft niet uitgelegd welke werkzaamheden hij heeft verricht en hij heeft ook niet vermeld welke stukken hij in zijn onderzoek heeft betrokken. Hierdoor mist het deskundigenbericht een deugdelijke grondslag. Waarschuwing.

Procedurenummer 19/1467 Wtra AK
Een accountant heeft jaarlijks financiële overzichten opgesteld op basis van de samengestelde jaarrekening van een vennootschap. In een eerdere tuchtprocedure tegen deze accountant heeft de Accountantskamer geoordeeld dat de accountant had moeten toelichten dat er geen rentebaten waren verwerkt in deze overzichten. De accountant wordt verweten dat hij in de daarna opgestelde financiële overzichten nog steeds niet heeft toegelicht dat er geen rentebaten zijn verwerkt. Dit klachtonderdeel is gegrond. De accountant heeft onvoldoende uitvoering gegeven aan de eerdere beslissing van de Accountantskamer. Ook het verwijt dat de accountant heeft verzuimd toe te lichten dat een herrubricering van de ontwikkelingskosten en –opbrengsten heeft plaatsgevonden is gegrond. Tijdelijke doorhaling voor de duur van twee weken.

Uitspraak 28 februari 2020

Procedurenummers 19/1617, 19/1693 en 19/2163 Wtra AK
Klachten in verband met door betrokkene in een vorige klachtprocedure afgelegde verklaringen, niet geven openheid en schending zorgplicht. Klachten ongegrond. Betrokkene heeft niet aannemelijk gemaakt dat de klachten die klager in zijn klaagschriften naar voren heeft gebracht vooral bedoeld zijn om betrokkene hierdoor als persoon, los van de toetsing van door hem geleverde professionele diensten, dan wel financieel te treffen. Van misbruik van klachtrecht is dan ook geen sprake. De in genoemd proces-verbaal neergelegde zakelijke weergave van betrokkenes verklaringen biedt onvoldoende grond om te kunnen concluderen dat voor wat betreft klagers psychische toestand sprake was van bewuste misleiding van de Accountantskamer door betrokkene. De mogelijkheid om een klacht in te dienen is niet bedoeld om een nadere toelichting te krijgen op eerdere advisering door een accountant.

Uitspraken 24 februari 2020

Procedurenummers 19/275, 19/276 en 19/277 Wtra AK
Klacht over accountantscontrole van twee middelgrote rechtspersonen. Tijdens de controle is discussie ontstaan over de waardering van lopende projecten en correcties waardoor accountant afkeurende verklaring overwoog. Klaagster klaagt over voorlichting door de accountant over de controleverschillen en de consequenties daarvan voor de afgifte van de verklaring en over het niet verstrekken van informatie over het teruggeven van de opdracht. Volgens klaagster is er druk op haar uitgeoefend in verband met prijsafspraken. Ook zou vertrouwelijke- en onjuiste informatie in een dagvaarding tot betaling van de facturen (artikel 16 VGBA en artikel 21 RV) zijn vermeld. Op onjuiste gronden zou een oordeelonthouding zijn afgegeven en is ook geweigerd om het accountantsdossier ter beschikking te stellen. De klacht is in alle onderdelen ongegrond verklaard.

Procedurenummer 19/554 Wtra AK
Klachten over controle jaarrekeningen en jaaropgaven niet voldoende onderbouwd en daarom ongegrond.

Procedurenummer 19/735 Wtra AK
Klacht naar aanleiding van de toetsing van de kwaliteit van het kantoor. Betrokkene wordt  aangerekend dat de toetsing van 24 oktober 2017 na een eerder negatief eindoordeel over het kwaliteitsstelsel van het kantoor wederom tot een negatief eindoordeel heeft geleid. Daarbij had hij het stelsel in vergaande mate niet op orde en wel zodanig dat de situatie waarin de praktijk zich bevindt, zeer zorgelijk is.  Betrokkene heeft daarbij nagelaten zijn in het verbeterplan van maart 2016 neergelegde voorgenomen plannen tot verbetering daadwerkelijk te realiseren. Hij heeft er al sinds de eerdere  toetsing in 2010 geen blijk van gegeven het belang en noodzaak in te zien om te voldoen aan de eisen die worden gesteld aan het kwaliteitssysteem van zijn praktijk. Die indruk is versterkt door het  beroep van betrokkene op de context waarin hij zijn praktijk uitvoert.  Zijn pleidooi dat zijn focus inmiddels wel primair op de verbetering van die praktijk is gericht kan hem gelet op de uitkomst van de toetsing niet meer baten. Maatregel: doorhaling van de inschrijving van betrokkene in de registers met de bepaling dat betrokkene zich niet binnen een periode van achttien maanden na de datum van ingang van de doorhaling opnieuw in het register kan inschrijven.

Procedurenummer 19/948 Wtra AK
Klacht tegen accountant die geen deel uitmaakte van team dat controlewerkzaamheden verrichtte, maar is geraadpleegd door de tekenend accountant. Geen sprake van formele consultatie. Niet kan worden vastgesteld dat betrokkene tekort is geschoten. Klacht ongegrond.

Procedurenummer 19/1022 Wtra AK
Klacht tegen accountant die deel uitmaakte van team dat controlewerkzaamheden verrichtte. De jaarrekening bevat een aantal (schrijf)fouten maar deze zijn niet van dien aard dat de jaarrekening geen getrouw beeld geeft. De overige punten waarop de jaarrekening volgens klager niet klopt zijn door betrokkene gemotiveerd weersproken. Ook is overigens niet gebleken dat betrokkene een verwijt kan worden gemaakt. Klacht ongegrond.

Uitspraken 21 februari 2020

Procedurenummers 19/92 en 19/93 Wtra AK
Twee accountants wordt onder andere verweten dat zij de toegang tot de tuchtrechter hebben belemmerd, omdat zij voor aanvaarding van een controleopdracht de voorwaarde hebben gesteld dat zij door de opdrachtgeefsters zullen worden gevrijwaard van alle kosten van een tuchtrechtelijke procedure. Dit klachtonderdeel is gegrond, omdat deze voorwaarde een niet toegestane drempel vormt voor het indienen van een tuchtklacht door de opdrachtgeefsters. Dat in dit geval sprake was van een “conflict-gebonden opdracht”, waardoor het risico op een klacht van één van de opdrachtgeefsters mogelijk groter was, maakt dat niet anders. Ook in een dergelijke situatie kan van een accountant worden verlangd dat hij verantwoording aflegt voor zijn handelen en mag hij geen drempels opwerpen. De overige 9 klachtonderdelen zijn niet-ontvankelijk, dan wel ongegrond. Waarschuwing.

Procedurenummer 19/1700 Wtra AK
Klacht naar aanleiding van weigering om inzage te verschaffen in pensioendossier van de B.V. van de voormalige partner van klaagster. Klacht over niet onafhankelijk advisering niet-ontvankelijk. Klacht over weigering inzage in pensioendossier ongegrond. Omdat geen sprake was van toestemming en evenmin gebleken is dat zich een andere uitzondering op de verplichting tot geheimhouding van vertrouwelijke gegevens voordeed, heeft betrokkene terecht geweigerd om de door klaagster gevraagde informatie te verschaffen.

Uitspraken 10 februari 2020

Procedurenummers 19/658 en 19/2025 Wtra AK
Klacht naar aanleiding van handelen accountant in business. Klacht gedeeltelijk gegrond. Betrokkene heeft gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van integriteit. Oplegging maatregel van berisping.  Betrokkene heeft zich voorgedaan als bestuurder en vertegenwoordiger van klaagster, terwijl hij dat niet (meer) was en hij heeft de indruk gewekt dat hij zijn ‘medebestuurder’ (hoewel hij zelf geen bestuurder meer was) in de communicatie betrok terwijl hij wist dat het e-mailadres (in de cc) niet bereikbaar was. Met instemming van betrokkene, die destijds bestuurder was, is een verklaring opgemaakt die aan een bank is verstrekt. Dat betrokkene, zoals hij op de zitting heeft toegelicht, nooit de intentie heeft gehad om anderen hiermee te benadelen, maar enkel om een praktische oplossing te vinden voor een probleem dat zich voordeed, doet er niet aan af dat hij in dezen niet eerlijk en oprecht is opgetreden. Aan de hand van de stukken en wat ter zitting naar voren is gebracht, is het voor de Accountantskamer niet mogelijk om met voldoende mate van zekerheid vast te stellen dat, zoals klagers stellen, de handtekening op de cheque die is aangeboden aan de bank daadwerkelijk door betrokkene geplaatst is.

Procedurenummer 19/960 Wtra AK
Een accountant heeft op verzoek van een curator onderzoek gedaan naar de jaarrekeningen van twee failliete vennootschappen. Dit onderzoek vertoont kenmerken van een persoonsgericht onderzoek, omdat het met name is gericht op de door de controlerend accountant uitgevoerde werkzaamheden. Omdat de controlerend accountant niet is gehoord, mist het rapport een deugdelijke grondslag. Ook had de accountant er rekening mee moeten houden dat zijn rapport in een gerechtelijke procedure zou worden ingebracht. Klacht (gedeeltelijk) gegrond. Berisping.

Uitspraken 7 februari 2020

Procedurenummers 19/609 en 19/610 Wtra AK
Klachten over (fiscaal) onjuiste waardering van participaties, foutieve samenstelling van jaarrekeningen en daardoor onjuiste aangiften VpB, niet nakomen van toezeggingen en verhullen van een fout zijn ongegrond. De verwijten zijn onvoldoende feitelijk onderbouwd of niet aannemelijk gemaakt.

Procedurenummer 19/1208 Wtra AK
Betrokkene is vaktechnisch verantwoordelijk voor de te late registratie bij de belastingdienst van een voorovereenkomst tot inbreng van een onderneming van een vennootschap onder firma in een besloten vennootschap. Betrokkene heeft tevens een onjuiste aanname gedaan over de fiscale oudedagreserve van één van de vennoten. Beide klachten zijn gegrond in verband met handelen in strijd met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid. Maatregel: waarschuwing. Klachten over het ontbreken van overleg (waarvan verslaglegging ontbreekt) en advisering over cumulatief preferente aandelen zijn niet aannemelijk gemaakt en ongegrond.

Uitspraken 3 februari 2020

Procedurenummer 18/2011 Wtra AK
Aan de accountant wordt onder meer verweten dat zij de echtgenote van de directeur-grootaandeelhouder van een holdingvennootschap, waarvoor zij de jaarrekening samenstelde, niet heeft geïnformeerd over aanzienlijke contante geldopnames. Omdat de echtgenote (nog) niet bij de vennootschap betrokken was en geen sprake was van een van de in artikel 16 VGBA genoemde uitzonderingen, stond het de accountant niet vrij de echtgenote hierover te informeren. Omdat de kasopnames zijn verwerkt in de financiële verantwoording en deze verantwoording niet onjuist, onvolledig of misleidend is, behoefde zij evenmin een maatregel zoals bedoeld in artikel 9 VGBA te treffen. Dit klachtonderdeel is dan ook, evenals de (zestien) overige klachtonderdelen, ongegrond.

Procedurenumer 19/1097 Wtra AK
Betrokkene heeft ontoereikend toezicht gehouden op handelwijze van een medewerkster bij de verwerking van de onderhandenwerkpositie van klaagster. De klacht daarover is gegrond. Handelwijze is in strijd met vakbekwaamheid en zorgvuldigheid. Maatregel: waarschuwing. Klacht over incasseren van facturen en over uitlatingen van betrokkene over de bedrijfsvoering van klaagster is ongegrond.

Procedurenummer 19/1337 Wtra AK
Ongegronde klacht over de verwerking van een onttrekking aan bestemmingsreserves in de jaarrekening van een vereniging.

Uitspraken 27 januari 2020

Procedurenummer 19/1449 Wtra AK
Klacht over afleggen onjuiste verklaringen in eerdere tuchtrechtelijke procedure. Klachtonderdelen a, b, c en e niet-ontvankelijk. Klachtonderdeel d ongegrond. De Accountantskamer is van oordeel dat door klager onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat destijds sprake is geweest van bewuste misleiding door betrokkene.

Procedurenummer 19/1498 Wtra AK
Klacht naar aanleiding van toetsing kwaliteitssysteem accountantskantoor. Klacht gegrond; betrokkene heeft gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid. Oplegging maatregel van doorhaling van de inschrijving in de registers met verbod tot herinschrijving voor de duur van drie jaar, tevens oplegging geldboete van € 8.000. Geen verbeterplan ingediend en monitoringvragenlijsten niet toegezonden; betrokkene heeft gehandeld in strijd met de in artikel 5, eerste lid, van de Verordening op de Kwaliteitsbeoordelingen neergelegde verplichting om medewerking te verlenen aan een beoordeling van de kwaliteit van de beroepsuitoefening.

Uitspraak 24 januari 2020

Procedurenummer 19/502 Wtra AK
Klacht over accountant die werkzaamheden voor klaagster van een collega heeft overgenomen. Informatie over het bedrijf heeft hij verkregen via een collega, betrokkene is nooit bij het bedrijf geweest. Volgens klaagster had hij dan ook geen samenstellingsverklaring mogen afgeven. Klacht op dit punt gegrond, omdat de relatie tussen klaagster en het kantoor van betrokkene niet heel soepel verliep. Er waren problemen met de aanlevering van stukken en ook regelmatig discussies over facturen. Verder is de klacht gegrond nu betrokkene bij het samenstellen alleen is uitgegaan van het digitale dossier maar niet de aansluiting bij het laatste bankafschrift heeft gezocht. Hierdoor is het banksaldo niet juist opgenomen. De klachten over het niet adviseren over het tijdig deponeren van de jaarstukken en de hoogte van de facturen zijn ongegrond nu deze zien op de periode voordat betrokkene voor klaagster werkzaam was. Ook de klacht over de wijze van incasso is ongegrond nu niet is gebleken dat betrokkene hierbij een rol speelde en het kantoor van betrokkene daarbij niet over een nacht ijs is gegaan. Maatregel: waarschuwing.

Uitspraak 22 januari 2020

Procedurenummer 18/296 Wtra AK
De accountant heeft de geconsolideerde jaarrekening 2010 van een holdingvennootschap gecontroleerd die zich (via haar (klein)dochtervennootschappen) met name met projectontwikkeling en de exploitatie van een vakantiepark bezighield. De accountant is onvoldoende professioneel-kritisch geweest ten aanzien van drie posten in de jaarrekening. Zo is hij onvoldoende kritisch geweest over de rubricering en waardering, dat laatste met name waar het gaat om de kans op de realisering van de projecten, en bij de controle daarvan heeft hij genoegen genomen met ontoereikende controle-informatie. Daardoor heeft de accountant gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van deskundigheid en zorgvuldigheid. Omdat de accountant op andere punten wel deskundig en zorgvuldig heeft gehandeld, o.a. ten aanzien van het verstrekken van inzicht over de continuïteit van de vennootschap, en hij niet eerder tuchtrechtelijk is veroordeeld, heeft de Accountantskamer volstaan met de maatregel van berisping.

Uitspraak 13 januari 2020

Procedurenummer 19/1030 Wtra AK
Klacht over RA die niet als zodanig werkzaam is. Zij heeft een vriend (de ex-man van klaagster) bijgestaan in de echtscheidingsprocedure. De werkzaamheden die zij in dat kader heeft uitgevoerd moeten worden opgevat als een professionele dienst. Het handelen van betrokkene is in strijd met de fundamentele beginselen van professionaliteit, integriteit, objectiviteit en vakbekwaamheid en zorgvuldigheid. Betrokkene heeft voor klaagster willen verhullen dat zij betrokken was en heeft getracht de advocaat van de man daarin mee te nemen. Klaagster stelde geen prijs op haar bemoeienis. Hoewel betrokkene stelde voor beide echtelieden op te komen is zij alleen voor de belangen van de man opgekomen. Ook heeft zij de voor partijen geldende geheimhoudingsplicht in het mediationtraject niet gerespecteerd. Tot slot heeft betrokkene de minderjarige gehandicapte dochter van klaagster en de man in de echtscheidingsprocedure betrokken door namens haar een concept-verklaring op te stellen in het voordeel van de man. Maatregel: tijdelijke doorhaling voor de duur van drie maanden.

Uitspraken 20 december 2019

Procedurenummers 16/2895 en 18/1160 Wtra AK
Op grond van vaste jurisprudentie van het CBb strekt een tuchtprocedure, die betrekking heeft op (het uitbrengen van) een deskundigenbericht in het kader van een gerechtelijke procedure, er niet toe om de inhoud of de wijze van totstandkoming van het bericht opnieuw en integraal te onderzoeken. Wel dient beoordeeld te worden of de accountant bij het opstellen van het (concept)bericht in strijd heeft gehandeld met de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels. Uit deze regels vloeit onder meer voort dat een in deze omstandigheden uitgebracht rapport, gelet op de voor de accountant beschikbare gegevens, geen onjuiste informatie mag bevatten, dat de bevindingen en/of conclusies van het rapport een deugdelijke grondslag moeten hebben en dat het rapport, voor zover de conclusies niet zonder meer volgen uit de beschikbare gegevens, duidelijke voorbehouden moet bevatten, en, voor zover ook andere conclusies mogelijk zijn, de redenen moet bevatten waarom die conclusies niet zijn getrokken. Gezien de context waarin de accountant zijn werkzaamheden uitvoert, moet bij de beoordeling of voldaan is aan wat voortvloeit uit deze regels, rekening worden gehouden met rechtsregels die gelden voor het uitbrengen van een deskundigenbericht aan de rechter, met instructies van die rechter aan de deskundige en het oordeel van die rechter over de totstandkoming en de inhoud van het (concept)rapport. Gelet op deze maatstaven diende betrokkene zich bij de uitvoering van zijn werkzaamheden in het kader van de procedure waarin hij heeft gerapporteerd, te richten naar de instructies van de rechtbank met betrekking tot bepaalde door de wederpartij van klaagster aangeleverde gegevens. Dat betekende concreet dat hij geen onderzoek hoefde te verrichten naar de juistheid en de volledigheid van die gegevens. Naleving van deze maatstaven bracht ook mee dat betrokkene in het rapport meer nadrukkelijk en duidelijker dan hij heeft gedaan de prijs die door een toegetreden aandeelhouder is betaald en de prijs die aan een uitgetreden aandeelhouder is betaald en de wijze waarop die prijzen tot stand zijn gekomen, had moeten betrekken in de motivering van zijn oordeel over de waarde van de aandelen in de onderneming van de wederpartij van klaagster. Het opnemen in het rapport van nadere gegevens over onder meer de gehanteerde rekenmethode had een bredere afweging van de aanwezige alternatieven mogelijk gemaakt, ook door de rechtbank die uiteindelijk mede op basis van het rapport van betrokkene, een oordeel zou moeten vellen over deze waarde. Klacht deels gegrond: waarschuwing.

Uitspraken 16 december 2019

Procedurenummer 19/957 Wtra AK
Objectiviteit. Betrokkene is accountant van een maatschap. Tussen de maten (vader en zoon) is een conflict ontstaan. Betrokkene heeft in dit conflict ten onrechte geen bedreiging voor het zich houden aan het fundamentele beginsel van objectiviteit gezien. Betrokkene heeft daarnaast bij het samenstellen van de jaarrekening 2016 ten onrechte de mededeling van de vader, dat de zoon de maatschap per 1 januari 2016 zou hebben verlaten, niet geverifieerd. Ook heeft hij nagelaten een maatregel te treffen om deze materiële onjuistheid in de jaarrekening weg te nemen. Betrokkene heeft verder op verzoek van vader een berekening gegeven van de vermogenspositie van de zoon bij uittreding uit de maatschap. Deze berekening is niet vakbekwaam en zorgvuldig tot stand gekomen en is niet overeenkomstig Standaard 5500N opgesteld. Betrokkene heeft zich bovendien ongepast laten beïnvloeden, omdat hij in zijn berekening hoofdzakelijk oog heeft gehad voor de belangen van vader. Klacht gegrond. Maatregel: tijdelijke doorhaling voor de duur van twee weken.

Procedurenummer 19/1122 Wtra AK
Klacht tegen AA. Klaagsters verwijten betrokkene dat hij tegenover de kantonrechter (onder ede) onjuiste verklaringen heeft afgelegd over de aard en omvang van zijn samenstellingswerkzaamheden voor klaagsters. De Accountantskamer is van oordeel dat deze verklaringen niet in tegenspraak zijn met zijn eerdere verklaringen tegenover het CBb en de Accountantskamer. Betrokkene had bij de kantonrechter ook geen melding hoeven maken van zijn werkzaamheden voor een ander accountantskantoor, omdat dit kantoor geen partij was in de kantonprocedure. Klacht is ongegrond.

Procedurenummer 18/276 en 18/277 Wtra AK
Klachten van curatoren Imtech tegen groepsaccountant en lid opdrachtteam naar aanleiding van de controle van de jaarrekening 2011 van Imtech. Klachten gedeeltelijk gegrond. De beide accountants hebben bij de groepscontrole niet zorgvuldig gehandeld. De vastlegging van controledocumentatie is onvoldoende geweest. Ook zijn de accountants niet professioneel kritisch geweest bij het beoordelen van werkzaamheden en bevindingen van collega-accountants die de groepsonderdelen van Imtech hebben gecontroleerd. Er is onvoldoende opvolging gegeven aan duidelijke signalen die bij de controle naar voren zijn gekomen. Voor zover hieraan al opvolging is gegeven, zijn antwoorden onvoldoende kritisch gewogen en zijn groepsonderdelen ten aanzien waarvan signalen zijn opgepakt, veelal te geïsoleerd bezien. Aan de groepsaccountant is de maatregel van tijdelijke doorhaling uit de accountantsregisters voor de duur van drie maanden, opgelegd. Aan de andere accountant, die lid was van het opdrachtteam, is de maatregel van tijdelijke doorhaling uit de accountantsregisters voor de duur van één maand, opgelegd. Meegewogen is dat de rol van de tweede accountant beperkter was omdat zij geen opdrachtpartner was.

Procedurenummer 18/328 Wtra AK
Klacht van curatoren Imtech tegen opdrachtgericht kwaliteitsbeoordelaar (OKB-er) bij de controle van de jaarrekening 2011 van Imtech. Klacht gedeeltelijk gegrond. De OKB-er heeft niet zorgvuldig gehandeld. Hij is tekortgeschoten in het vastleggen van zijn overwegingen ten aanzien van de kwaliteitsbeoordeling. Ook hij is onvoldoende professioneel kritisch geweest. Aan de OKB-er is de maatregel van berisping opgelegd.

Uitspraken 13 december 2019

Procedurenummers 19/917 en 19/918 Wtra AK
klacht over declaraties accountants, disproportioneel reageren en advisering over wijze van waardering onroerend goed; klacht ongegrond. De geoffreerde som had enkel betrekking op de standaard controlewerkzaamheden en niet op meerwerk. Uit de overgelegde correspondentie blijkt dat betrokkenen klaagsters wel degelijk op de hoogte hebben gehouden van de te betalen bedragen, die de voor de controlewerkzaamheden geoffreerde som te boven gingen. Niet gebleken is dat de hoogte van de voor deze werkzaamheden in rekening gebrachte bedragen buitensporig of anderszins onredelijk is. De deponering bij de Kamer van Koophandel van een onjuiste controleverklaring bij de jaarrekeningen van klaagsters was een ernstig feit. Betrokkenen waren gehouden om passende maatregelen te nemen. Besloten is tot een brief aan een van de bestuurders van klaagsters en het voeren van een gesprek met een normoverdragend karakter. In de brief, waarin klaagsters zijn aangesproken op de overtreding van wet- en regeling door de deponering van de onjuiste controleverklaringen, is duidelijk verwoord wat van hen werd verlangd. De in deze brief gekozen bewoordingen waren correct en zakelijk. Niet door klaagsters betwist is dat de wens om de waardering van onroerend goed te laten plaatsvinden op grondslag van de actuele waarde daags voor de aanvang van de controle is ingebracht. Betrokkenen hebben geadviseerd om deze keuze te heroverwegen. Niet aannemelijk is gemaakt dat betrokkenen klaagsters te laat hebben gewezen op de risico’s.

Procedurenummer 19/1309 Wtra AK
Klacht over beëindiging werkzaamheden en overlegging vertrouwelijke gegevens onderneming in klachtprocedure van een derde; klacht ongegrond. Het met onmiddellijke ingang beëindigen van werkzaamheden was onder de gegeven omstandigheden niet in strijd met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid. Geen schending fundamenteel beginsel van vertrouwelijkheid. Onbestreden is dat klaagsters levenspartner in de klachtprocedure niet slechts geklaagd heeft over betrokkenes werkzaamheden voor zijn B.V., maar ook over vermeende fouten in de jaarstukken van klaagsters onderneming. Betrokkene mocht zich verweren tegen deze klacht.

Uitspraak 9 december 2019

Procedurenummers 19/681 en 19/682 Wtra AK
Klachten deels niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de zesjaarstermijn; artikel 51 Wtra. Klachten deels ongegrond. Dat betrokkene naar aanleiding van de brief van klaagster, gelet op de daarin opgenomen aansprakelijkstelling en aangekondigde tuchtklacht, niet met klaagster in gesprek wilde gaan is voor te stellen. De voor hem geldende beroepsregels dwingen hem niet tot een gesprek. Daarbij komt dat reeds eerder, in 2016, een gesprek had plaatsgevonden over onderwerpen die zij in haar brief van 31 augustus 2017 opnieuw aan de orde stelde.

Uitspraken 22 november 2019

Procedurenummer 19/344 Wtra AK
Tot de opdracht van betrokkene behoort het jaarlijks opmaken van de uitwerking van de verrekening van de vermogens van echtgenoten op grond van de tussen hen geldende huwelijksvoorwaarden (verder HV). De echtgenoten zijn gescheiden. Gelet op de HV heeft betrokkene de uitwerkingen over een (groot) aantal jaren te laat opgemaakt. De klacht die daarover gaat is, met uitzondering van de uitwerking over 2015, niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de zes- en driejaarstermijn. Voor zover de klacht betrekking heeft op 2015 is deze ongegrond, omdat de uitwerking over dat jaar tijdig heeft plaatsgevonden. Betrokkene heeft niet voldaan aan zijn zorgplicht, omdat hij de ex-echtelieden niet heeft geïnformeerd over de (grote) risico’s van het niet (tijdig) voldoen aan het in de HV opgenomen verrekenbeding. Bij de uitwerkingen van de verrekeningen heeft betrokkene het begrip inkomsten zoals dat in de HV was gedefinieerd, onjuist verwerkt. Betrokkene heeft niet voldaan zijn verplichting om documenten gedurende zeven jaar te bewaren. Betrokkene heeft klager niet willen informeren over de klachtregeling van zijn kantoor. Maatregel: berisping

Procedurenummer 19/1024 Wtra AK
Betrokkene heeft de uittredende vennoot van een VOF geadviseerd, onder meer over de waarde van het bedrijf. Klaagsters zijn de VOF en de andere vennoot. Zij verwijten betrokkene dat hij zich partijdig en niet objectief heeft opgesteld. Betrokkene is echter steeds duidelijk geweest over het feit dat de uittredende vennoot zijn opdrachtgever was, en dat hij een partijbelang diende en niet dat van de VOF. Klaagsters hebben betrokkene verder verweten dat zijn voorstellen niet waren gebaseerd op onderzoek en dat hij hun wel onderbouwde voorstellen zonder onderbouwing heeft afgewezen. Betrokkene heeft erkend dat hij bij de onderhandelingen hoog heeft ingezet; hij wilde voor zijn opdrachtgever een zo goed mogelijk resultaat behalen. Later heeft hij de voorstellen naar beneden bijgesteld. Niet is gebleken dat betrokkene heeft gehandeld in strijd met enig fundamenteel beginsel. De klacht is ongegrond.

Procedurenummers 19/1961, 19/1962 en 19/1963 Wtra AK
Verzoek om herziening van onherroepelijke beslissing van de Accountantskamer door oorspronkelijke klager. Verzoek kennelijk niet-ontvankelijk; artikel 39 Wtra. De Wtra kent de mogelijkheid tot het doen van een verzoek om herziening van een onherroepelijke uitspraak niet. Een dergelijk verzoek om herziening is dan ook in beginsel niet mogelijk. De algemene beginselen van behoorlijk (tucht)procesrecht brengen mee dat in bijzondere gevallen herziening kan worden verzocht van een onherroepelijk geworden uitspraak. Alleen door degene over wie was geklaagd kan herziening worden verzocht van een onherroepelijk geworden uitspraak waarbij een maatregel is opgelegd. Het is voor een oorspronkelijke klager niet mogelijk om een verzoek om herziening in te dienen. Verzoeker heeft zich, onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 6 van het EVRM en artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, op het standpunt gesteld dat uit deze bepalingen volgt dat ook voor hem, als oorspronkelijke klager, de mogelijkheid dient te bestaan om te verzoeken om herziening. Er is geen sprake van een criminal charge als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. De strafrechtelijke poot van artikel 6 EVRM is daarom niet van toepassing. De voorzitter volgt voor wat betreft de civielrechtelijke poot van artikel 6 EVRM het oordeel van de Hoge Raad in zijn arrest van 18 januari 2019 (ECLI:NL:HR:2019:52), gelezen in samenhang met de onderdelen 3.9 tot en met 3.11 van de conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal bij de Hoge Raad (ECLI:NL:PHR:2018:47), waarnaar de Hoge Raad in rechtsoverweging 3.4.2 van zijn arrest verwijst. Samengevat is de conclusie dat bij een verzoek tot heropening van een tuchtzaak geen sprake is van vaststelling van burgerlijke rechten en verplichtingen. De voorzitter is van oordeel dat de lacune in de wet om een verzoek om herziening in te dienen, niet leidt tot vaststelling van enige burgerlijke rechten en verplichtingen van verzoeker. De civielrechtelijke poot van artikel 6 EVRM is daarom niet van toepassing.

Uitspraak 18 november 2019

Procedurenummer 19/1267 Wtra AK
Klager en zijn medeaandeelhouder/bestuurder hadden na het opzeggen van de aandeelhoudersovereenkomst een geschil over de waarde van de goodwill. Deze medebestuurder heeft via de telefonische helpdesk vragen hierover gesteld aan betrokkene. Deze heeft hierop geantwoord, in de wetenschap dat het ging om een geschil tussen twee bestuurders die allebei klant van het kantoor van betrokkene waren. Betrokkene heeft de mogelijke bedreiging voor het naleven van het fundamentele beginsel van objectiviteit niet onderkend. In strijd met artikel 21 van de VGBA, hetgeen ook strijd met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid oplevert. Maatregel: waarschuwing.

Uitspraken 15 november 2019

Procedurenummer 19/329 Wtra AK
Klacht met betrekking tot de objectiviteit. Twee heren dienen. Een accountant verricht voor zowel BV1 als BV2 werkzaamheden. De accountant wordt betrokken bij het opstellen van de tekst van de koopovereenkomst van de aandelen van BV2 door BV1. Na de totstandkoming van de overeenkomst van aandelenoverdracht was hij belast met het samenstellen van de jaarrekening van de BV2, over 2014. De inhoud hiervan kon van invloed zijn op de hoogte van de door BV1 te betalen koopsom. Daarom is er een bedreiging van de objectiviteit van de accountant. In de koopovereenkomst is bepaald dat de verkoper de jaarrekening over 2014 mag laten beoordelen door derden. De accountant heeft de bedreiging dus onderkend. De Accountantskamer is van oordeel dat slechts het opnemen van deze bepaling in de koopovereenkomst onvoldoende was om de objectiviteit van de accountant bij het opstellen van de jaarrekening over 2014 te waarborgen. Klacht gegrond. Waarschuwing.

Uitspraak 8 november 2019

procedurenummer 19/1740 Wtra AK
Wraking door accountant van alle behandelende rechters. Een grond voor de wraking is te laat aangevoerd en wordt daarom niet besproken. De overige gronden worden afgewezen. Het stellen van vragen ter zitting waaruit kan worden afgeleid hoe de rechter over een als verweer aangedragen standpunt oordeelt kan geen grond voor wraking zijn omdat daarmee oordeel wordt gegeven dat alleen toekomt aan de rechter in hoger beroep.  Procesbeslissingen (behandeling verzoek klaagster om de deuren te sluiten/niet schorsen van de zitting/beslissingen over verzoeken met betrekking tot door klaagster ingezonden stukken) kunnen nooit grond voor wraking vormen. De (ontbrekende) motivering voor deze beslissingen kan gelet op de omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven bezien niet worden verstaan als blijk van vooringenomenheid van de rechters. Scherpe wijzen van ondervragen op de zitting is (hoewel sommige woorden ongelukkig gekozen waren) geen bijzondere omstandigheid die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor vooringenomenheid.

Uitspraken 1 november 2019

Procedurenummer 19/508 Wtra AK
Klager stelt dat betrokkene de post “contant uitbetaald” niet correct heeft verwerkt, waardoor, de (door een andere accountant opgestelde) jaarrekening niet klopt. Betrokkene heeft klager duidelijke instructies gegeven over de wijze waarop de kasoverzichten moesten worden ingericht. Desalniettemin bleven kasverschillen bestaan die, ondanks vragen daarover van betrokkene, niet door klager konden worden verklaard. Betrokkene heeft de posten waarover onduidelijkheden bestonden tijdelijk onder “overige algemene kosten” geboekt, met de bedoeling daar verder onderzoek naar te doen. Daar is betrokkene echter niet meer aan toegekomen, omdat klager betrokkene heeft laten weten geen gebruik van zijn diensten meer te willen maken. Als gevolg van de beslissing van klager is betrokkene aan het uitzoeken van de vraagposten en het vervolgens correct boeken daarvan ten behoeve van het opstellen van de jaarrekening niet meer toegekomen. Dit leidt tot het oordeel dat de klacht ongegrond is.

Uitspraken 25 oktober 2019

Procedurenummers 19/252 en 19/253 Wtra AK
Betrokkene heeft op 31 januari 2012 bij een jaarrekening 2010 een controleverklaring, inhoudende een oordeelsonthouding, afgegeven, omdat hij niet in staat is geweest om voldoende controle-informatie te verkrijgen. Verder heeft betrokkene om dezelfde reden op 30 januari 2013 bij de jaarrekening 2011 een beoordelingsverklaring inhoudende een onthouding van conclusie afgegeven. De klacht met betrekking tot de jaarrekening 2010 is vanwege de overschrijding van de zesjaarstermijn niet-ontvankelijk. De klachten met betrekking tot de jaarrekening 2011 zijn feitelijk onjuist dan wel onvoldoende toegelicht of onderbouwd en daarom ongegrond. Ter zitting wordt door klagers met betrekking tot een klachtonderdeel een uitgebreide nadere onderbouwing gegeven die veel elementen bevat die niet in het klaagschrift waren opgenomen en die ook geen duidelijke reactie vormen op het verweerschrift. Niet valt in te zien waarom deze nadere onderbouwing niet eerder had kunnen worden gegeven. Betrokkenen zijn daardoor in hun verdedigingsbelang geschaad, zodat sprake is van strijd met een goede procesorde. De nadere onderbouwing wordt daarom buiten beschouwing gelaten.

Uitspraken 18 oktober 2019

Procedurenummer 19/167 Wtra AK
Klaagster verwijt aan betrokkene dat hij heeft toegestaan dat zijn opdrachtgever zijn rapport zonder zijn toestemming in een gerechtelijke procedure heeft ingebracht en heeft nagelaten passende maatregelen te nemen, dat dit rapport een deugdelijke grondslag ontbeert en dat hij met zijn rapport zekerheid heeft verschaft terwijl hij stelt te hebben gewerkt volgens Standaard 4400N van de NV COS. Deze klacht is in al haar onderdelen ongegrond.

Uitspraken 14 oktober 2019

Procedurenummer 18/2163 Wtra AK
Betrokkene heeft in de periode van 2004 tot en met 2013 de jaarrekeningen van een vennootschap samengesteld. De eerste klacht is dat de jaarrekening over 2008 niet juist is samengesteld met als gevolg dat derden leningen aan de vennootschap hebben verstrekt die ze anders niet verstrekt zouden hebben. De tweede klacht is dat in de vennootschap een pensioenvoorziening in eigen beheer was opgenomen die niet verzekerd was en niet kon worden uitbetaald. Klagers hebben gesteld dat pas in juli 2018 is gebleken dat betrokkene fouten heeft gemaakt. De klacht is niet ontvankelijk wegens overschrijding van de drie- en zesjaarstermijn.

Uitspraken 11 oktober 2019

Procedurenummer 18/2055 Wtra AK
Betrokkene heeft, in verband met een suppletiebijdrage door klaagster aan een filmproducent, bij een financiële eindafrekening een goedkeurende controleverklaring afgegeven. Klaagster stelt dat de goedkeurende verklaring ten onrechte is afgegeven. Door betrokkene is niet betwist dat van een bedrag van circa € 200.000,– aan opgevoerde productiekosten de relatie tot de filmproductie, dan wel de noodzakelijke onderbouwing daarvoor, ontbreekt. Het gaat daarbij om meer dan 11% van het totale budget voor de productie van de film. Verder is door betrokkene niet betwist dat, volgens het van toepassing zijnde Handboek van klaagster, onder die omstandigheden een afkeurende verklaring afgegeven had moeten worden. Op zitting is bovendien gebleken dat betrokkene een aantal werkzaamheden die van hem verwacht hadden mogen worden op grond van het op zijn opdracht van toepassing zijnde controleprotocol van klaagster, niet heeft verricht. Betrokkene heeft gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid en aan hem wordt de maatregel opgelegd van tijdelijke doorhaling van zijn inschrijving in de registers voor de duur van één maand.

Procedurenummer 18/2250 Wtra AK
Betrokkene heeft de geconsolideerde en enkelvoudige jaarrekeningen 2011 en 2012 van een holdingvennootschap gecontroleerd en daarbij een goedkeurende verklaring afgegeven. Ook heeft hij een goedkeurende verklaring afgegeven bij de jaarrekening 2011 van de grootaandeelhouder van deze vennootschap.  Aan betrokkene wordt onder meer verweten dat zijn controlewerkzaamheden ten aanzien van verschillende jaarrekeningen tekort schoten op het punt van de waardering van activa. De klacht is gedeeltelijk gegrond. Betrokkene heeft ten aanzien van in een van de jaarrekeningen verwerkte activa vastgesteld dat sprake was van twee indicaties voor een bijzondere waardevermindering. Gelet op RJ 121.202 had hij daarom van het  management moeten verlangen dat het de realiseerbare waarde hiervan zou bepalen in overeenstemming met de bepalingen van paragraaf RJ 121.3. Niet gebleken is dat betrokkene dit heeft gedaan. Daarnaast heeft betrokkene de goedkeurende controleverklaring bij diezelfde jaarrekening ondertekend voordat hij alle relevante stukken had ontvangen en daarmee in strijd met paragraaf 41 van Standaard 700 van de NV COS gehandeld. De holdingvennootschap heeft een lening verstrekt aan haar grootaandeelhouder die de lening op haar beurt heeft geïnvesteerd in twee vennootschappen in een risicovolle branche. Betrokkene is bij zijn onderzoek naar de waarde van deze investeringen voornamelijk afgegaan op de informatie die het management van de holdingvennootschap hem verstrekte. Gezien zijn constatering dat investeringen in de branche risicovol waren, het feit dat de lening aan de grootaandeelhouder niet schriftelijk was vastgelegd, van materiële omvang was en bovendien uit dividenduitkeringen zou moeten worden afgelost, had hij diepgravend onderzoek moeten doen naar de liquiditeit en solvabiliteit van de bedrijven waarin door de grootaandeelhouder werd geïnvesteerd. Omdat sprake was van objectieve aanwijzingen voor bijzondere waardeverminderingen van de financiële vaste activa bij zowel de holdingvennootschap als de grootaandeelhouder, had betrokkene van het respectieve management moeten verlangen een schatting te maken van de realiseerbare waarde van de financiële vaste activa en op basis daarvan de waardering in de respectieve jaarrekeningen te beoordelen. Dit heeft hij niet gedaan. Schending van het fundamentele beginsel van deskundigheid en zorgvuldigheid (art. 100.4 onder c VGC). Maatregel: berisping.

Uitspraken 30 september 2019

procedurenummer 18/1403 Wtra AK
Kantoortoetsing. Klacht gegrond. Doorhaling.

Uitspraken 20 september 2019

Procedurenummers 18/904 en 18/1418 Wtra AK
Door de koper van de aandelen van een vennootschap is in 2016 aan betrokkene gevraagd om in verband met de bepaling van de hoogte van de in de koopovereenkomst overeengekomen earn out, de jaarrekeningen van een aantal vennootschappen over de jaren 2013 tot en met 2015 te controleren. Klaagster is van mening dat een dergelijke controle niet meer achteraf kan worden uitgevoerd en dat betrokkene door zich bereid te verklaren dat toch te doen, tegenover klaagster de schijn heeft gewekt niet onafhankelijk te zijn. De Accountantskamer is van oordeel dat alhoewel aan klaagster kan worden toegegeven dat een dergelijke controle achteraf lastig kan zijn en in sommige gevallen wellicht niet mogelijk is, niet valt uit te sluiten dat er situaties zijn waarin dit wel mogelijk is. Het stond betrokkene daarom vrij om te onderzoeken of een controle in dit geval mogelijk was en hij hoefde dus niet op voorhand aan te nemen dat dat in dit niet mogelijk zou zijn. De accountant heeft door zich bereid te verklaren om de controle uit te voeren dan ook niet gehandeld in strijd met enig fundamenteel beginsel. Het feit dat betrokkene vóór het aanvaarden van de opdracht als voorwaarde stelde dat zowel de koper als klaagster ermee zouden instemmen dat de controle door hem zou worden uitgevoerd, acht de Accountantskamer niet onzorgvuldig. Ten slotte is de Accountantskamer van oordeel dat betrokkene door zijn werkzaamheden met het oog op de eventuele aanvaarding van de controle-opdracht te staken nadat door klaagster tegen hem een klacht was ingediend, niet in strijd met enige gedrags- of beroepsregel heeft gehandeld. De indiening van een klacht vormt immers een bedreiging van de onafhankelijkheid van betrokkene.

Uitspraken