Procedurenummer 25/1784 Wtra AK
Gedeeltelijk gegronde klacht. Klaagster heeft in februari 2024 de aandelen in een tweetal vennootschappen verworven. Bij het samenstellen van de jaarrekening 2024 is discussie ontstaan over de toerekening van enkele omzetfacturen die bepalend zijn voor de vraag of verkoper recht heeft op een overeengekomen earn-outvergoeding. Betrokkene was zowel voor als na de overname de samenstellend accountant van de vennootschappen. Klaagster verwijt betrokkene dat hij zijn rol onvoldoende heeft bewaakt, dat hij over de omzettoerekening is blijven communiceren met de voormalige directie van de vennootschappen, dat hij zich op ongepaste wijze heeft laten beïnvloeden en dat hij onvoldoende rekening en verantwoording heeft afgelegd. De Accountantskamer verklaart de klacht gedeeltelijk gegrond. Betrokkene heeft gehandeld in strijd met de fundamentele beginselen vakbekwaamheid en zorgvuldigheid, objectiviteit en vertrouwelijkheid. Betrokkene krijgt de maatregel van berisping opgelegd.
Procedurenummer 26/714 Wtra AK
Voorzittersbeslissing. De klacht is kennelijk ongegrond. Het eerste klachtonderdeel ziet op handelen van een register belastingadviseur, die onder een eigen tuchtrecht valt. Voor dit handelen draagt betrokkene geen tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid. Het tweede klachtonderdeel is door klager onvoldoende onderbouwd.
Procedurenummers 26/719 en 26/720 Wtra AK
Voorzittersbeslissing. De klacht is kennelijk ongegrond. Klager heeft onvoldoende duidelijk gemaakt welk handelen of nalaten ieder van de betrokkenen persoonlijk wordt verweten. Het is duidelijk dat klager een diepgaand geschil heeft met de middelbare school en meent dat hem en/of zijn dochter onrecht is aangedaan. Het is echter naar het oordeel van de voorzitter een brug te ver om accountants, die mogelijk zitting hebben in de Raad van Toezicht van de middelbare school, daarvan een tuchtrechtelijk verwijt te maken. Hersteluitspraak van 3 april 2026 is niet gepubliceerd.